Wie zich geen smoesjes over de Koran op de mouw wil laten spelden, moet het Boek Gods vooral zelf lezen. Om hem daarbij op weg te helpen is er nu een handleiding van de Leidse hoogleraar hedendaags islamitisch denken, prof. Hans Jansen: Zelf koranlezen. Masterclass van de gezaghebbende arabist (De Arbeiderspers, Amsterdam). Het boek vormt zo’n beetje een duo met Jansen’s andere koranboek: Islam voor varkens, apen, ezels en andere beesten (Van Praag, Amsterdam). Daarover gaf hij recent een interview weg aan Benno Barnard: “Multiculti’s zijn de nuttige idioten van de imams” (Knack, 28-5-08), een titel die verwijst naar Jansen’s verklaring in dat boek: “Deze multiculti’s zijn in moslimse ogen stuurloze sukkels, eerder deerniswekkende onnozelaars dan serieuze gesprekspartners.”
Over de stelling dat het probleem van het islamterrorisme zou zijn opgelost als er maar een volgroeide Palestijnse staat was, verklaarde hij: “Dat is volkomen en volledig onjuist. Als je leest wat Hamas en ook Fatah in hun ideologische geschriften zeggen, begrijp je dat die bewegingen de strijd tegen de joden beschouwen als een fase in de djihaad. Nadat ze Israël verslagen hebben, is de rest van de wereld aan de beurt. Meestal wordt dat zo geformuleerd: ‘Na de zaterdag komt de zondag.’ Na de joden komen dus de christenen.” Deze geleerde laat zich geen vrome verhaaltjes op de mouw spelden.
In Zelf koranlezen doet Jansen de begrippelijke mist opklaren die rond de kerndoctrine van de islam hangt. Hij brengt alle relevante begrippen in kaart, ondermeer fiqh, “inzicht”, plichtenleer; tafsier, commentaar; sjari’a, “pad naar de bron”, islamwet; hadieth, overlevering, nl. van de eigen woorden en daden van de Profeet, te onderscheiden van de woorden die hij van God “doorkreeg” en die de soera’s (hoofdstukken) van de Qoer’aan (oplezing, Koran) vormen. Hij geeft ook een overzicht van de Arabische traditie van koranduiding, waarbinnen vrij uiteenlopende scholen met eigen politieke agenda bestaan. Terloops krijgen we aanwijzingen over de talloze discrete codes daarover die moslims onderling begrijpen, bv. inzake een bekend fel anti-westers korancommentaar: “Nederlandse politici van islamitische komaf die zich (…) laten fotograferen met (…) de korancommentaar van Sayyid Qutb op schoot, geven daarmee een signaal af aan moslims, dat de meeste buitenstaanders wel zal ontgaan.” (p.43)
Bij omstreden verzen geeft Jansen zijn eigen allernauwkeurigste vertaling, maar hij geeft geval per geval ook zijn mening over de bestaande Nederlandse koranvertalingen van J.H. Kramers (gemaakt in 1944 op diens onderduikadres) en van Fred Leemhuis. Hij verkiest meestal duidelijk die van Kramers, die uiterste nauwkeurigheid betracht, boven die van Leemhuis, die erg islamvriendelijk wil zijn. Bijvoorbeeld, vers 2:85 luidt bij Leemhuis: “Of geloven jullie in een deel van het boek en in een ander gedeelte niet?” In moslimdiscussies wordt het vers gebruikt om mensen de mond te snoeren die ook maar één iota aan de wet willen veranderen, resp. één woord van de Koran willen veronachtzamen.
De vertaling van Leemhuis wijst op gewone twijfel en meningsverschillen, maar de grondtekst is veel scherper, want die zegt letterlijk: “Gelooft gij dan in een deel van de Schrift en zijt gij ongelovig in een ander deel?” (p.188) Het woord “ongelovig” slaat hier niet op een soort ongelovige Thomas die even tijd nodig heeft om tot instemming met de doctrine te komen, maar op een kaafir, wat in de Koran een zeer beladen technische term is: een ondankbare, een stijfkop die de koranboodschap verwerpt, een heiden. Wordt dat van een moslim gezegd, dan beschuldigt men hem in feite van afvalligheid, een misdrijf dat de doodstraf vergt. Takfier, zo heet het op dit vers gebasserde tot-kaafir-verklaren van een mede-moslim die vrijheden neemt met de islamdoctrine. Het is één van de onderscheidende stellingnamen van Al-Qaida en andere integristen, bv. de tot-kaafir-verklaring van en vervolgens de moord op Egyptisch president Anwar al-Sadat na diens vredesverdrag met Israël.
Maar hoe dan ook is zelfs de beste vertaling op sommige punten onvermijdelijk gebrekkig: er zijn immers passages die zelfs in het Arabisch voor een geschoold Arabischtalige onbegrijpelijk of dubbelzinnig zijn. Jansen geeft een overzicht van de islamduiding in de moslimwereld door de eeuwen heen, en hoe de schriftgeleerden omgingen met de verdraaid talrijke duidings- of vertaalproblemen van obscure passages. Veelal praatten zij de eerste commentator na die zich duidelijk aan één interpretatie durfde wagen.
Het Arabische schrift is de oorzaak van een aantal problemen. Net als het Hebreeuws is het in oorsprong een lettergreepschrift dat alleen de medeklinkers en de lange klinkers schrijft. Klinker- en andere leestekens worden wel toegevoegd in schoolboeken en in de hedendaagse uitgaven van de Koran, maar dat was niet altijd het geval. Misschien worden een aantal klinkers wel fout gelezen, en dat geeft dan verwarring zoals die tussen “dit” en “dat”, of tussen “zwem”, “zwom” en “zwam”. Ook de medeklinkertekens zijn aan onjuiste lezing onderhevig doordat sommige in handschrift erg op elkaar lijken. En tenslotte zijn er de dubbelzinnigheden die in alle talen voorkomen, genre de Nederlandse vorm “voorkomen”: ofwel noemvorm, “bestaan”; ofwel noemvorm, “verhinderen”, ofwel voltooid deelwoord, “verhinderd”. Daar valt doorgaans wel mee te leven, maar hier gaat het om Gods eigen woord, dus elk detail kan levensbelangrijke gevolgen hebben.
Jansen geeft (p.65) het voorbeeld van vers 72:18-20, klassiek gelezen als: “De bedehuizen behoren aan God toe.” Zonder tekstwijziging kan dit ook betekenen: “Zich neer te werpen komt (alleen) aan God toe.” Het woord “moskee”, masdjid, is letterlijk “het zich neerwerpen”. Dit tweede sluit beter aan bij het vervolg: “Zo roept niet met God samen enig (ander) wezen aan.” Dan volgt: “Toen de knecht des Heren opstond om Hem aan te roepen, verdrongen zij zich haast om hem heen.” Met vervanging van één medeklinker door een andere, sterk gelijkende, wordt dit: “Toen de knecht des Heren opstond om Hem aan te roepen, aanbaden zij hém haast.” Dit sluit beter aan bij het thema van deze passus, namelijk de waarschuwing tegen de neiging om andere wezens, ook de profeet, in Gods plaats te aanbidden. In de alternatieve versie leren we dat er bij Mohammeds eerste volgelingen een tendens bestond om hemzelf te vergoddelijken, zoals christenen met Jezus gedaan hadden; en dat Mohammed hen terugwees en voor de eer van de persoonsverering bedankte. Dit past uitstekend in de islamitische theologie, en het zou inderdaad kunnen dat het de oorspronkelijke versie was, terwijl de overgeleverde tekst op een vergissing berust.
Jansen citeert voor de genoemde analyse de Libanees-Duitse onderzoeker Christoph Luxenberg. Hij stelt vast dat in deze passus (en een aantal andere) de tekst veel begrijpelijker, logischer en leesbaarder wordt na toepassing van Luxenbergs amendementen, “maar de prijs is hoog”. Verwarring tussen letters die schriftelijk op elkaar gelijken maar mondeling niét, impliceert dat de Koran niét de latere schriftelijke neerslag van een mondelinge versie is, maar eigenlijk als tekst begonnen is. Volgens Luxenberg zijn er flarden van christelijke gebedenboeken in de Koran geïntegreerd. Wat natuurlijk flagrant in strijd is met het moslimgeloof dat hij rechtstreeks door de aartsengel Gabriël aan Mohammed gedicteerd werd.
Eén oplossing voor een aantal duidingsproblemen was de islamgeleerden volkomen onbekend, en is ook bij Westerse oriëntalisten pas recent gedaagd dankzij Luxenbergs pionierswerk. Sommige stukken tekst kunnen gelezen worden als een oppervlakkige arabisering van een niet-Arabisch grondtekst, namelijk in het Syrische dialect van het Aramees. Een bekend voorbeeld (p.53) is vers 108:1: “Wij (God) hebben u (Mohammed) de kawthar gegeven.” Klassieke Arabische commentatoren hebben hun tanden stukgebeten op dit woord, er zijn een zestal interpretaties in omloop, waarvan “overvloed” momenteel blijkbaar de populairste is, maar ook “fontein” en de naam van een rivier in het paradijs. Een gelijkend Aramees woord betekent echter “standvastigheid”, en dit blijkt uitstekend in de context te passen.
Luxenbergs volgelingen trekken de lijn van radicale korankritiek door, tot en met twijfel aan het bestaan van Mohammed zelf. Zijn naam komt alvast maar vier keer in de Koran voor. Degenen die in de Koran in wezen een verhaspeling van stukken christelijke traditie zien, duiden de naam Mohammed, of liever het woord mohammed, als verwijzend naar Jezus. Letterlijk betekent hij “geprezen”. De geloofsbelijdenis: “Er is geen god behalve Dé God (al-Ilah > Allah), en Mohammed is de boodschapper van De God”, zou dan betekenen: “Er is geen god behalve Dé God, en geprezen is de boodschapper van De God”. Het vooropgeplaatste gezegde “geprezen” zou dan verkeerdelijk opgevat zijn als het onderwerp, en het onderwerp “de boodschapper van God” als het gezegde.
Die boodschapper zou dan geen Arabische zakenman zijn, maar een oude bekende: Jezus. Deze werd immers niet alleen in de islam maar eerder ook al in sommige “ketterse” christelijke kerken als een soort profeet gezien, eerder dan als goddelijk persoon, één in wezen met de Vader. Ook de uitdrukking “de knecht des Heren” uit het hierboven geciteerde vers 72:19 zou dan naar Jezus kunnen verwijzen, aan wie de expliciete vermaning in de mond gelegd wordt dat zijn volgelingen niet hem mogen vereren maar alleen God.
Zo ver wil Jansen niet gaan in de deconstructie van de profeet. In het Knack-vraaggesprek zei hij hierover: “Misschien is het Mohammedpersonage een composiet van diverse historische figuren. Al die verhalen zijn ook weleens over iemand anders verteld, ze zijn onderling tegenstrijdig, er zijn geen documenten, er is geen archeologisch bewijs (...) Het zou kunnen dat hij bestaan heeft. Maar het is (…) flauw te zeggen dat hij niet bestaan heeft.”
Ik zou eraan toevoegen: er zijn ook elementen die vóór zijn historiciteit pleiten. De Overleveringen vermelden talloze feiten en feitjes die onbelangrijk of ronduit onbenullig zijn, die niet in een heiligenlevern passen en evenmin politiek of theologisch nut hebben in de onderlinge twisten tussen Mohammeds nazaten. Ze bevatten ook episodes die niet glorieus maar eerder bedenkelijk zijn, en dus allicht enkel verteld werden omdat ze bij de toenmalige toehoorders nu eenmaal goed bekend waren en ontkennen geen zin had. Maar goed, er is dus een opkomende school koranexegeten die al die overleveringen als uitvindsels beschouwt, louter bedacht om wat historisch vlees te geven aan het gebeente van de Koran, dat in de kern (de oudste soera’s) een christelijk gebedenboek zou geweest zijn.
Besluiten we met de ware toedracht van de 72 wezens die de djihaadstrijder in de hemel opwachten, zoals voorzegd in verzen 44:54 en 52:20: “En wij paren hen aan wit- en grootogige gezellinnen.” De islamtraditie is hierover eenduidig, namelijk dat het om bekoorlijke vrouwen gaat, maar de kiem zelf van die traditie zou toch weer op een vergissing kunnen berusten. Hier dan het nieuwe verhaal over de hoeri’s, de blanke druiven danwel blanke nimfen.
In het klassiek Arabisch geldt dat een zakelijk of onzijdig meervoud als een vrouwelijk enkelvoud behandeld wordt (onder Griekse invloed?), zodat een meervoudsvorm alleszins personen aanduidde, nooit zaken. In het Koran-Arabisch echter gold die regel nog niet. Latere Koran-commentatoren lazen soms Koran-Arabisch alsof het klassiek Arabisch was, wat verwarring kon veroorzaken tussen persoons- en zaakaanduidingen. Bovendien geldt in opsommingen of waar de context verwarring uitsluit (althans als de lezer dezelfde taalvariant volgt als de schrijver), dat een bijvoeglijk naamwoord soms gebruikt wordt zonder het bijbehorend zelfstandig naamwoord en zelf verzelfstandigd wordt, net als in het Nederlands “een Arabische volbloed” of “een Perzisch tapijt” wel eens tot “een Arabier” of “een Pers” afgekort wordt. Men moet dan uit de context afleiden of een Perzische man danwel een Perzisch tapijt bedoeld wordt, allebei immers “een Pers”. In het klassiek Arabisch krijgen we wel hulp van de genoemde regel dat bv. “witte” in het meervoud alleszins naar mensen verwijst, omdat witte dingen met een enkelvoudsvorm zouden uitgedrukt worden. In het Koran-Arabisch daarentegen kan die meervoudsvorm “witte” met verzwegen zelfstandig naamwoord evenzeer “witte (vrouwen)” beduiden als “witte (dingen)”, bijvoorbeeld “witte (druiven)”.
Maar waarom willen sommige moderne Koran-omduiders op de plaats van het niet-uitgedrukte vrouwelijke persoonswoord per se “druiven” lezen? Zoals de tekst er nu staat, sluit hij in ieder geval niet uit dat het wel degelijk over vrouwen gaat. Wel, dat volgt uit de context, zo geeft Jansen de argumentatie van de nieuwlichters weer: “de verzen die voorafgaan en volgen, hebben het over de spijs en drank van de bewoners van het paradijs”. (p.64) Eerlijk gezegd, ik ben niet overtuigd.
Om te beginnen is de context ruimer dan de “vruchten en vleesspijzen” die inderdaad genoemd worden, en vermeldt hij ook andere paradijselijke genoegens, ondermeer het gezellig nakaarten onder strijdmakkers en de pure vreugde van de ervaring dat Allah Zijn woord gestand gedaan heeft. Bovendien zegt Allah dat Hij de gesneuvelde djihaadstrijders ba-hoer zal “verenigen” (hoer, met verharde h zoals in Mohammed). Dat lijkt mij niet iets dat je met druiven doet. Bovendien worden de gezellinnen nog in andere paradijsverzen vermeld, waar de druivenlezing totaal niet opgaat, met name 2:25, 3:15, 4:57, 37:48, 38:52, 55:70-74, 56:22, 56:36-37, en 78:33, dat “gezellinnen met geronde boezem” voorspiegelt. Of nog: voor de djihaadstrijders zijn er daar “kuise (gezellinnen) die hun blik neerslaan, die geen mens noch djinn vóór hen heeft bezoedeld”. (55:56)
Ze zijn dus niet alleen bekoorlijk, ze hebben zelfs hun maagdelijkheid al een paradijselijke eeuwigheid lang bewaard voor jou, koene moslimkrijger. Druiven zullen er ook wel zijn, “vruchten en vleesspijzen”, samen met alle andere geneugten, maar de hoofdprijs zijn wel degelijk de maagden met gazelle-ogen. Omgord dus je zwaard en trek ten strijde tegen afvalligen en huichelaars, kruisvaarders en joden, poly- en atheïsten. Er wacht je een beloning die waarlijk hemels mag heten.