Vlaamse Feestdag

Toen de Vlamingen op 11 juli 1302 hun rechten verdedigden stonden ze daar opgesteld als gemeentelijke milities. Ze vochten voor hun graafschap, maar onder de banieren van hun steden. Hun eerste loyauteit lag immers bij hun gemeente of stad. Ze vochten voor Brugge, Gent, Ieper,… In het middeleeuwse Brabant was de politieke cultuur niet anders. Daar lag de eerste loyauteit eveneens bij de gemeente: Brussel, Leuven, Antwerpen,…

Het is waar dat de gebeurtenis van 1302 strikt genomen alleen het graafschap Vlaanderen betrof, waarvan toen Brabant en het land van Loon (het huidige Limburg) geen deel uitmaakten. Aangezien de politieke tradities in Brabant en Loon niet wezenlijk anders waren, speelt dat niet echt een rol. De term “Vlaming” werd destijds, bijvoorbeeld in Italië, bij uitbreiding gebruikt voor alle inwoners van de Nederlanden (Noord zowel als Zuid), net zoals “Hollander” vandaag een term is waarmee men vaak alle inwoners van (Noord-)Nederland aanduidt, en “Vlaming” vandaag eigenlijk Zuid-Nederlander betekent. In de overwinning van de Vlaamse poorters op de koning van Frankrijk 702 jaar geleden, zien wij dan ook een overwinning van alle Zuid-Nederlanders die hun lokale autonomie verdedigden.

Het feit dat 11 juli uiteindelijk onze nationale feestdag werd, kwam enkel doordat Hendrik Conscience rond die gebeurtenis een roman schreef die een grote populariteit kende, maar we hadden evengoed een andere nationale feestdag kunnen nemen, bijvoorbeeld 27 september. Dat is de dag waarop hertog Jan II van Brabant in 1312 het charter van Kortenberg moet ondertekenen, waarin de Brabanders hun hertog dwingen een raad in te stellen van vier ridders en twaalf vertegenwoordigers van de steden die toezicht houden op het hertogelijke bestuur, meer bepaald om ervoor te zorgen dat de hertog de rechten van de burgers handhaaft.

Model

27 september zou als Vlaamse (of beter Zuid-Nederlandse) nationale feestdag echter samenvallen met de feestdag van de Franstalige gemeenschap in België, en dat kunnen we dus maar beter vermijden. Op die datum gedenken de Franstaligen immers de verdrijving van de Nederlandse troepen uit Brussel in 1830. In feite kwam door die gebeurtenis, die het begin inluidde van de rampzalige Belgische onafhankelijkheid, een einde aan de vrijheden vervat in het charter van 1312.

Indien het onafhankelijke België zich in 1830 gemodelleerd had op de oude tradities in onze gewesten, indien het met andere woorden een tweede Nederlandse natie geworden was in plaats van een kloon van Frankrijk, dan had België zich mogelijk kunnen ontwikkelen tot een echte natiestaat. Helaas ging België een andere weg uit. Dat bleek overigens al kort na 1830 toen de nieuwe staat komaf maakte met de traditie van gemeentelijke autonomie die in onze gewesten altijd had bestaan.

Leopold I zag zich namelijk geconfronteerd met een aantal gemeenten, waaronder Gent, die steeds opnieuw orangistische gemeentebesturen verkozen. Daarom liet hij in maart 1836 een wet stemmen die de rechtstreekse verkiezing van de burgemeesters en schepenen afschafte. Voortaan zouden burgemeesters en schepenen door de koning worden benoemd. Wat schepenen betreft bleef die praktijk bestaan tot 1887 en wat burgemeesters betreft, geldt de benoeming door de centrale overheid nog altijd. “Gelukkig werd de koning de macht gegeven om de gemeentelijke bestuurders aan te duiden. Geen enkele benoeming is mogelijk zonder mijn handtekening. Dit heeft mijn macht gevestigd,” schreef de vorst in 1856 aan de Russische ambassadeur.

Verantwoordelijkheid

Die maatregel ging lijnrecht in tegen wat in onze gewesten al eeuwen gebeurde: de aanstelling van de burgemeesters en de schepenbanken was altijd een prerogatief van de gemeenten zelf geweest. De graaf van Vlaanderen of hertog van Brabant had het niet moeten wagen om het stadsbestuur van Brugge, Antwerpen of andere steden aan te stellen. België maakte tabula rasa met de oude vrijheden. In tegenstelling tot de andere landen in Europa waar in de 19de eeuw een grotere politieke vrijheid tot stand kwam dan tevoren, gingen wij er op achteruit.

En er viel nog een fundamentele achteruitgang waar te nemen. Vrijheid gaat altijd samen met verantwoordelijkheid. In onze middeleeuwse gouwen waren de burgemeesters steeds persoonlijk aansprakelijk voor hun politieke bestuursdaden. Indien de burgemeester door wanbeleid de kas van de gemeente had verkwanseld, dan moest hij aan het einde van zijn ambtstermijn daar persoonlijk voor opdraaien. Dat gold zelfs tot in de allerkleinste boerendorpen, en niet alleen in grote steden zoals Antwerpen, die er zelfs twee burgemeesters op na hielden: eentje voor het binnenlandse bestuur van de stad – de binnenburgemeester – en eentje voor de externe betrekkingen – de buitenburgemeester.

Vandaag kunnen we heel Vlaanderen, en zelfs België zo men wil, in feite als één stedelijk gewest beschouwen. Een stad zoals Los Angeles heeft méér inwoners dan Vlaanderen en een oppervlakte die driekwart van Vlaanderen bestrijkt. Ook wij hebben een binnenburgemeester – Guy Verhofstadt – en een buitenburgemeester – Karel De Gucht. Hun regeringstermijn loopt straks af, maar hoewel zij ons volk grote schade hebben berokkend, kunnen zij daarvoor nooit persoonlijk verantwoordelijk worden gesteld.

Daarom kunnen politici bij ons een zeer kortzichtig beleid voeren, hetgeen ze bijgevolg ook doen. Wanneer zij het geld van ons allen verkwanselen, of wanneer ze, zoals De Gucht en zijn voorganger Louis Michel deden, de goede reputatie van het land ten gronde richten en daardoor de handelsrelaties schaden, kunnen zij daarvoor nooit ter verantwoording worden geroepen. We kunnen ze wegstemmen, maar persoonlijk draaien ze nooit ergens voor op. Ook wat dat betreft waren onze voorouders verstandiger. Op de Vlaams-nationale feestdag is het goed de dapperen te gedenken die op 11 juli 1302 voor onze vrijheden streden. Maar het is nog beter ze te eren door deze vrijheden te herstellen.