Gij Zult Wel Oordelen

Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. Wie het zich permitteert een moreel oordeel uit te spreken over andermans levenswandel krijgt algauw deze uitroep uit Mattheus 7:1 voorgeschoteld. Vaker nog allicht een "Bemoei U met uw eigen zaken" of zo – de meesten zullen immers in nauwelijks nog een zin uit de Bijbel kunnen citeren. Varianten zijn ook “de straat is van iedereen” (wat juist is, maar niet inhoudt dat iedereen daar gelijk wat mag doen) of “wat mensen in de slaapkamer doen gaat niemand anders aan”. Of het afdoen van kritiek op vulgariteit als een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting.

De idee dat esthetische smaken verschillen wordt misbruikt om elke morele beschouwing bij bepaalde soorten muziek of andere expressievormen de kop in te drukken, zoals Theodore Dalrymple mocht ervaren na zijn kritiek op sommige vormen van populaire muziek (1). Kritiek op religie verwordt dan tot een verboden fobie, kritiek op zogenaamde lifestyle een aanslag op iemands “identiteit”.

Britse auteurs hebben deze houding de naam non-judgmentalism gegeven. Ze wordt vaak ideologisch onderbouwd met de stelling dat iedereen zijn eigen opvatting van het goede leven mag hebben en nastreven. De multiculturele ideologie gaat er ook vaak mee gepaard: zij verbiedt immers elke opvatting die op een bepaald gebied de normen of praktijken van de ene cultuur “beter” vindt dan die van de andere. 

Bij nader toezien bestaat er zowel een liberale als een socialistische variant van dit non-judgmentalism. In de liberale variant wordt zowat alles aan het morele oordeel van anderen onttrokken zolang er maar geen belastinggeld voor wordt gebruikt. In de socialistische variant moet elke lifestyle bovendien ook nog eens met belastinggeld worden ondersteund.

Wanneer iemand vaststelt dat vele aspecten van die levenswandel het maatschappelijk weefsel vernietigen, de kansen van de kinderen zwaar hypothekeren en meer algemeen de zwakkeren in alle opzichten ongezond houden, wordt op de boodschapper geschoten. Wijst men erop dat in veel van die populaire cultuur geweld en immoraliteit worden verheerlijkt, duurt het geen dag of men wordt voor verzuurd uitgescholden.

Anders dan die liberale of socialistische nonjudgmentalisten vinden gemeenschapsdenkers het wezenlijk dat mensen moreel worden opgevoed en op hun moraliteit worden aangesproken en in het sociale leven ter verantwoording worden geroepen. Recent analyseerde de Hongaars-Britse socioloog Frank Furedi in een lezing te Leuven nog de perverse verwarring tussen tolerantie of ‘een open geest hebben’ en gebrek aan moreel oordeel (2).

Er is voorts ook niets neoliberaals aan om die morele verantwoordelijkheid ook van de zogenaamde onderklasse te eisen, zolang men hetzelfde oordeel ook aanwendt jegens de “rijken”. Wie hoofdstuk 7 van het Mattheüsevangelie voortleest, zal trouwens dadelijk merken dat de passage gericht is tegen diegene die met twee maten en gewichten meten: “want met het oordeel, waarmede gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden, en met de maat, waarmede gij meet, zal u gemeten worden (7.2)”. Om die reden dan meer niet willen oordelen is dan vaker een vorm van lafheid dan van openheid van geest. 

 

___________________

(1) Zie Th. Dalrymple, "Geen rock, maar barok" en de reacties in de Standaard de dag nadien, waaronder van de Standaard-redacteur Peter Vantyghem "Klereherrie".

(2) Multatulilezing Leuven 30 maart 2011 door Frank Furedi, "De ambivalente implicaties van tolerantie". Het thema wordt ook uitgewerkt in zijn boek "On Tolerance: The Life Style Wars: A Defence of Moral Independence".