Urbain Vermeulen: Oriëntalist tot in de Kist
Het afscheidscollege van prof. Urbain Vermeulen aan de Universiteit Gent op 16 mei 2008 was een persoonlijke triomf voor de omstreden arabist en islamoloog. De Gentse en via een videoboodschap ook de KU-Leuvense rector staken de gebruikelijke lofrede af, maar daarin zat meer en hartelijker lof dan alleen het verplichte nummertje. Andere sprekers maakten toespelingen op Vermeulens overwinning in zijn procedure tegen de vorige KUL-rector (met de oriëntaalse naam Oosterlinck) toen die hem na een wenk van Yves Desmet in De Morgen een reprimande had gegeven wegens oneerbiedige opmerkingen over de islam. Onder de aanwezigen merkten we ondermeer prof. em. Etienne Vermeersch, het levende bewijs dat niet alle militante vrijzinnigen het kritisch denken tegenover de islam uitgeschakeld hebben.
Vermeulens eigen verhaal focuste op de verdienstelijke geschiedenis van de oriëntalistiek, d.w.z. de wetenschappelijke studie van de tradities van Azië en de islamwereld. Hijzelf had zich de keuze voor deze discipline nooit beklaagd, al beklemtoonde hij dat ze pas vruchtbaar wordt als men ze met andere expertise combineert. Zelf had hij eerst geschiedenis en (kandidatuur) rechten gestudeerd. In moslimlanden noemt hij zich trouwens nooit “islamoloog” of zoiets, maar gewoon “historicus”, want ze wantrouwen daar mensen die de islam bestuderen zonder zelf moslim te worden.
Inmiddels ligt de oriëntalistiek wel erg onder vuur, op twee fronten. Enerzijds wordt haar legitimiteit in vraag gesteld door een heir van “postmoderne” en “postkoloniale” academici, volgelingen van Edward Saïd (1935-2003). Deze in Caïro opgegroeide Palestijnse christen was een zielig exemplaar van de dhimmi, de niet-moslim die generaties lang onder moslimbewind geleefd heeft en de gewoonte verinwendigd heeft om voor de islam te kruipen. In zijn zeer invloedrijke boek Orientalism (1978) betoogde Saïd dat de studie van Oosterse culturen door Europese geleerden, die hun studieobjecten in romantische stereotypen opsloten en tot de irrationele Ander van het rationele Europa herdefineerden, niets anders was dan een ideologisch instrument van het kolonialisme en imperialisme. In de islamkunde, geconcipieerd in de 13de eeuw door ondermeer Roger Bacon en Raimundus Lullus en groot gemaakt in de 19de eeuw door Duitstalige (vaak joodse) geleerden, zag hij een rechte lijn naar de “bevooroordeelde” Westerse berichtgeving over de Arabisch-Israëlische oorlogen van 1967 en 1973, inmiddels doorgetrokken tot die over Irak en Al-Qaida. Volgens Saïd is de hele oriëntalistiek slechts een reeks variaties op de oud-Griekse geschiedschrijving die het tirannieke Perzische rijk, met zijn paleiseunuchen en bizarre cultussen, contrasteerde met de vrijheidslievende Grieken, uitvinders van wetenschap en democratie in hun eerste “land of the free, home of the brave”.
Prof. Vermeulen had er weinig moeite mee, Saïds vijandbeeld onderuit te halen. De studie van de islam begon toen Europa met de rug tegen de muur stond, na de mislukking van de Kruistochten, bedreigd door Arabieren, Tataren en Turken. Van Europees imperialisme was in die beginperiode nog geen sprake. Het historische hartland van de oriëntalistiek werd vervolgens Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, die geen Aziatische of islamitische kolonies hadden. Ook in de koloniale mogendheden waren oriëntalisten typisch juist oriëntofielen, die grote liefde voor hun studieobject opgevat hadden, vaak tegen de negatieve stereotypen van hun tijdgenoten ingingen en zelfs van onmiskenbaar kwalijke Oosterse tradities nog de verzachtende omstandigheden in het licht stelden. Wat betreft de negatieve verschijnselen die zij wél bevestigden, bv. de islamitische slavernij of de verwoesting van vóór-islamitisch cultuurgoed, dat waren nu eenmaal feiten. Saïds volgelingen kunnen zulke reuzengrote historische gegevens niet zomaar weggommen.
Overigens, hoe zit het met het beeld van het Westen dat moslims cultiveren: is dat soms vrij van stereotypering? Terwijl de moslimwereld in een kras vijandbeeld van de christelijke en moderne beschaving is blijven steken, hebben de oriëntalisten de verdienste dat zij met de kritische methode een steeds objectiever en nauwkeuriger kennis van vreemde culturen ontwikkeld hebben.
Inmiddels gebruiken islamitische en pro-islamitische ijveraars het discours van Edward Saïd om het echte wetenschappelijke onderzoek in de islamkunde verdacht te maken en tegen te werken. Westerse departementen islamkunde worden meer en meer door moslims bemand, en op zich hoeft dat geen probleem te zijn, maar het blijken al te vaak mensen die het onbevangen doorlichten van de islam niet genegen zijn. Deze tendens krijgt betrekkelijk weinig weerwerk van niet-moslimpersoneel, dat onder ideologische druk staat om de islam erg geflatteerd te presenteren. Ook het toenemend steunen op sponsoring vanuit de oliestaten brengt het wetenschappelijk karakter van de universitaire islamstudie in gevaar.
Een heel andere bedreiging voor de oriëntalistiek komt voort uit het beleid van de politieke en academische overheden. Men zou denken dat de tijdsgeest van multicultuur en globalisering deze wetenschap zou promoten en voor haar pionierswerk belonen. Het tegendeel blijkt het geval. Vermeulen vermeldde de recente afschaffing van de Perzische studiën aan de KUL, en daarmee in heel Vlaanderen, en de beperking van de Turkse studiën aan de KUL tot weinig meer dan een taalcursus. Ik zou er het geval van de indologie kunnen aan toevoegen: afgeschaft aan de KUL en met afschaffing bedreigd aan de UG. Typisch voor het kneuterige Vlaanderen, zou je zeggen, maar ook de ULB besnoeit zwaar op indologie, in Utrecht is de dravidologie afgeschaft, in Engeland en Duitsland zijn prestigieuze Sanskritleerstoelen gesneuveld of is hun opheffing aangekondigd, en verder heb ik weet van zware besnoeiingen in Rome, Leiden, Oslo en de VS.
Pijnlijkst is misschien wel het geval van de Oosterse christelijke talen: Georgisch, Syrisch, Aramees, Koptisch, Armeens, Ethiopisch. Zoals prof. Vermeulen uiteenzette, vormde hun studie juist de oorsprong van de oriëntalistiek. De Latijnse Kerk wilde de banden met de Oosterse christenen aanhalen en richtte daartoe ondermeer leerstoelen voor de betrokken talen op. De KUL die zich graag het “denkcentrum van de katholieke wereld” liet noemen, was vermaard voor haar specialisatie in deze studiën. Maar tijdens zijn termijn als hoogleraar had prof. Vermeulen het moeten aanzien dat deze leerstoelen één voor één afgeschaft werden, en dit zonder de minste visie, met geen andere leidraad dan een louter budgettaire.
Deze neergang is mijns inziens (op de diepere oorzaken ging de professor niet in) het gecombineerde gevolg van verschillende trends. Concreet was er geld nodig voor allerlei postmoderne nieuwlichterijen, vrouwenstudies en zo, dus moesten die armtierige christelijke restanten in de islamwereld het maar zonder onze aandacht stellen. Er was de bredere Thatcheriaanse filosofie dat men de investeringen moet toespitsen op sectoren die onmiddellijk vruchten afwerpen (“minder investeren in kippen en meer in eieren”), en geen geld vergooien aan activiteiten die toch nooit financieel zelfbedruipend zullen worden. Anderzijds ligt de stiefmoederlijke behandeling van de oriëntalistiek in de lijn van de linkse ingrepen in het onderwijs, die vakken als geschiedenis en “elitaire” klassieke talen wilden vervangen door meer “relevante” onderwerpen.
Tegen deze samenzwering van rechts en links kan een handvol vorsers die het belang van hun vak beter beseffen, weinig beginnen. Behalve soms eens ten aanschouwe van invloedrijke actoren aantonen hoe hun vak in deze tijd bij uitstek “relevant” is. En daarvan was prof. Vermeulens afscheidsfeest wel een onderhoudend voorbeeld.
Recent comments
1 min 53 sec ago
2 min 9 sec ago
10 min 20 sec ago
42 min 2 sec ago
2 hours 13 min ago
2 hours 44 min ago
4 hours 55 min ago
5 hours 52 min ago
6 hours 16 min ago
8 hours 9 min ago