De Koran Lezen

Wie zich geen smoesjes over de Koran op de mouw wil laten spelden, moet het Boek Gods vooral zelf lezen. Om hem daarbij op weg te helpen is er nu een handleiding van de Leidse hoogleraar hedendaags islamitisch denken, prof. Hans Jansen: Zelf koranlezen. Masterclass van de gezaghebbende arabist (De Arbeiderspers, Amsterdam). Het boek vormt zo’n beetje een duo met Jansen’s andere koranboek: Islam voor varkens, apen, ezels en andere beesten (Van Praag, Amsterdam). Daarover gaf hij recent een interview weg aan Benno Barnard: “Multiculti’s zijn de nuttige idioten van de imams” (Knack, 28-5-08), een titel die verwijst naar Jansen’s verklaring in dat boek: “Deze multiculti’s zijn in moslimse ogen stuurloze sukkels, eerder deerniswekkende onnozelaars dan serieuze gesprekspartners.”

Over de stelling dat het probleem van het islamterrorisme zou zijn opgelost als er maar een volgroeide Palestijnse staat was, verklaarde hij: “Dat is volkomen en volledig onjuist. Als je leest wat Hamas en ook Fatah in hun ideologische geschriften zeggen, begrijp je dat die bewegingen de strijd tegen de joden beschouwen als een fase in de djihaad. Nadat ze Israël verslagen hebben, is de rest van de wereld aan de beurt. Meestal wordt dat zo geformuleerd: ‘Na de zaterdag komt de zondag.’ Na de joden komen dus de christenen.” Deze geleerde laat zich geen vrome verhaaltjes op de mouw spelden.

In Zelf koranlezen doet Jansen de begrippelijke mist opklaren die rond de kerndoctrine van de islam hangt. Hij brengt alle relevante begrippen in kaart, ondermeer fiqh, “inzicht”, plichtenleer; tafsier, commentaar; sjari’a, “pad naar de bron”, islamwet; hadieth, overlevering, nl. van de eigen woorden en daden van de Profeet, te onderscheiden van de woorden die hij van God “doorkreeg” en die de soera’s (hoofdstukken) van de Qoer’aan (oplezing, Koran) vormen. Hij geeft ook een overzicht van de Arabische traditie van koranduiding, waarbinnen vrij uiteenlopende scholen met eigen politieke agenda bestaan. Terloops krijgen we aanwijzingen over de talloze discrete codes daarover die moslims onderling begrijpen, bv. inzake een bekend fel anti-westers korancommentaar: “Nederlandse politici van islamitische komaf die zich (…) laten fotograferen met (…) de korancommentaar van Sayyid Qutb op schoot, geven daarmee een signaal af aan moslims, dat de meeste buitenstaanders wel zal ontgaan.” (p.43)

Bij omstreden verzen geeft Jansen zijn eigen allernauwkeurigste vertaling, maar hij geeft geval per geval ook zijn mening over de bestaande Nederlandse koranvertalingen van J.H. Kramers (gemaakt in 1944 op diens onderduikadres) en van Fred Leemhuis. Hij verkiest meestal duidelijk die van Kramers, die uiterste nauwkeurigheid betracht, boven die van Leemhuis, die erg islamvriendelijk wil zijn. Bijvoorbeeld, vers 2:85 luidt bij Leemhuis: “Of geloven jullie in een deel van het boek en in een ander gedeelte niet?” In moslimdiscussies wordt het vers gebruikt om mensen de mond te snoeren die ook maar één iota aan de wet willen veranderen, resp. één woord van de Koran willen veronachtzamen.

De vertaling van Leemhuis wijst op gewone twijfel en meningsverschillen, maar de grondtekst is veel scherper, want die zegt letterlijk: “Gelooft gij dan in een deel van de Schrift en zijt gij ongelovig in een ander deel?” (p.188)  Het woord “ongelovig” slaat hier niet op een soort ongelovige Thomas die even tijd nodig heeft om tot instemming met de doctrine te komen, maar op een kaafir, wat in de Koran een zeer beladen technische term is: een ondankbare, een stijfkop die de koranboodschap verwerpt, een heiden. Wordt dat van een moslim gezegd, dan beschuldigt men hem in feite van afvalligheid, een misdrijf dat de doodstraf vergt. Takfier, zo heet het op dit vers gebasserde tot-kaafir-verklaren van een mede-moslim die vrijheden neemt met de islamdoctrine. Het is één van de onderscheidende stellingnamen van Al-Qaida en andere integristen, bv. de tot-kaafir-verklaring van en vervolgens de moord op Egyptisch president Anwar al-Sadat na diens vredesverdrag met Israël.

Maar hoe dan ook is zelfs de beste vertaling op sommige punten onvermijdelijk gebrekkig: er zijn immers passages die zelfs in het Arabisch voor een geschoold Arabischtalige onbegrijpelijk of dubbelzinnig zijn. Jansen geeft een overzicht van de islamduiding in de moslimwereld door de eeuwen heen, en hoe de schriftgeleerden omgingen met de verdraaid talrijke duidings- of vertaalproblemen van obscure passages. Veelal praatten zij de eerste commentator na die zich duidelijk aan één interpretatie durfde wagen.

Het Arabische schrift is de oorzaak van een aantal problemen. Net als het Hebreeuws is het in oorsprong een lettergreepschrift dat alleen de medeklinkers en de lange klinkers schrijft. Klinker- en andere leestekens worden wel toegevoegd in schoolboeken en in de hedendaagse uitgaven van de Koran, maar dat was niet altijd het geval. Misschien worden een aantal klinkers wel fout gelezen, en dat geeft dan verwarring zoals die tussen “dit” en “dat”, of tussen “zwem”, “zwom” en “zwam”. Ook de medeklinkertekens zijn aan onjuiste lezing onderhevig doordat sommige in handschrift erg op elkaar lijken. En tenslotte zijn er de dubbelzinnigheden die in alle talen voorkomen, genre de Nederlandse vorm “voorkomen”: ofwel noemvorm, “bestaan”; ofwel noemvorm, “verhinderen”, ofwel voltooid deelwoord, “verhinderd”. Daar valt doorgaans wel mee te leven, maar hier gaat het om Gods eigen woord, dus elk detail kan levensbelangrijke gevolgen hebben.

Jansen geeft (p.65) het voorbeeld van vers 72:18-20, klassiek gelezen als: “De bedehuizen behoren aan God toe.” Zonder tekstwijziging kan dit ook betekenen: “Zich neer te werpen komt (alleen) aan God toe.” Het woord “moskee”, masdjid, is letterlijk “het zich neerwerpen”. Dit tweede sluit beter aan bij het vervolg: “Zo roept niet met God samen enig (ander) wezen aan.” Dan volgt: “Toen de knecht des Heren opstond om Hem aan te roepen, verdrongen zij zich haast om hem heen.” Met vervanging van één medeklinker door een andere, sterk gelijkende, wordt dit: “Toen de knecht des Heren opstond om Hem aan te roepen, aanbaden zij hém haast.” Dit sluit beter aan bij het thema van deze passus, namelijk de waarschuwing tegen de neiging om andere wezens, ook de profeet, in Gods plaats te aanbidden. In de alternatieve versie leren we dat er bij Mohammeds eerste volgelingen een tendens bestond om hemzelf te vergoddelijken, zoals christenen met Jezus gedaan hadden; en dat Mohammed hen terugwees en voor de eer van de persoonsverering bedankte. Dit past uitstekend in de islamitische theologie, en het zou inderdaad kunnen dat het de oorspronkelijke versie was, terwijl de overgeleverde tekst op een vergissing berust.

Jansen citeert voor de genoemde analyse de Libanees-Duitse onderzoeker Christoph Luxenberg. Hij stelt vast dat in deze passus (en een aantal andere) de tekst veel begrijpelijker, logischer en leesbaarder wordt na toepassing van Luxenbergs amendementen, “maar de prijs is hoog”. Verwarring tussen letters die schriftelijk op elkaar gelijken maar mondeling niét, impliceert dat de Koran niét de latere schriftelijke neerslag van een mondelinge versie is, maar eigenlijk als tekst begonnen is. Volgens Luxenberg zijn er flarden van christelijke gebedenboeken in de Koran geïntegreerd. Wat natuurlijk flagrant in strijd is met het moslimgeloof dat hij rechtstreeks door de aartsengel Gabriël aan Mohammed gedicteerd werd.

Eén oplossing voor een aantal duidingsproblemen was de islamgeleerden volkomen onbekend, en is ook bij Westerse oriëntalisten pas recent gedaagd dankzij Luxenbergs pionierswerk. Sommige stukken tekst kunnen gelezen worden als een oppervlakkige arabisering van een niet-Arabisch grondtekst, namelijk in het Syrische dialect van het Aramees. Een bekend voorbeeld (p.53) is vers 108:1: “Wij (God) hebben u (Mohammed) de kawthar gegeven.”  Klassieke Arabische commentatoren hebben hun tanden stukgebeten op dit woord, er zijn een zestal interpretaties in omloop, waarvan “overvloed” momenteel blijkbaar de populairste is, maar ook “fontein” en de naam van een rivier in het paradijs. Een gelijkend Aramees woord betekent echter “standvastigheid”, en dit blijkt uitstekend in de context te passen.

Luxenbergs volgelingen trekken de lijn van radicale korankritiek door, tot en met twijfel aan het bestaan van Mohammed zelf. Zijn naam komt alvast maar vier keer in de Koran voor. Degenen die in de Koran in wezen een verhaspeling van stukken christelijke traditie zien, duiden de naam Mohammed, of liever het woord mohammed, als verwijzend naar Jezus. Letterlijk betekent hij “geprezen”. De geloofsbelijdenis: “Er is geen god behalve Dé God (al-Ilah > Allah), en Mohammed is de boodschapper van De God”, zou dan betekenen: “Er is geen god behalve Dé God, en geprezen is de boodschapper van De God”. Het vooropgeplaatste gezegde “geprezen” zou dan verkeerdelijk opgevat zijn als het onderwerp, en het onderwerp “de boodschapper van God” als het gezegde.

Die boodschapper zou dan geen Arabische zakenman zijn, maar een oude bekende: Jezus. Deze werd immers niet alleen in de islam maar eerder ook al in sommige “ketterse” christelijke kerken als een soort profeet gezien, eerder dan als goddelijk persoon, één in wezen met de Vader. Ook de uitdrukking “de knecht des Heren” uit het hierboven geciteerde vers 72:19 zou dan naar Jezus kunnen verwijzen, aan wie de expliciete vermaning in de mond gelegd wordt dat zijn volgelingen niet hem mogen vereren maar alleen God.

Zo ver wil Jansen niet gaan in de deconstructie van de profeet. In het Knack-vraaggesprek zei hij hierover: “Misschien is het Mohammedpersonage een composiet van diverse historische figuren. Al die verhalen zijn ook weleens over iemand anders verteld, ze zijn onderling tegenstrijdig, er zijn geen documenten, er is geen archeologisch bewijs (...) Het zou kunnen dat hij bestaan heeft. Maar het is (…) flauw te zeggen dat hij niet bestaan heeft.”

Ik zou eraan toevoegen: er zijn ook elementen die vóór zijn historiciteit pleiten. De Overleveringen vermelden talloze feiten en feitjes die onbelangrijk of ronduit onbenullig zijn, die niet in een heiligenlevern passen en evenmin politiek of theologisch nut hebben in de onderlinge twisten tussen Mohammeds nazaten. Ze bevatten ook episodes die niet glorieus maar eerder bedenkelijk zijn, en dus allicht enkel verteld werden omdat ze bij de toenmalige toehoorders nu eenmaal goed bekend waren en ontkennen geen zin had. Maar goed, er is dus een opkomende school koranexegeten die al die overleveringen als uitvindsels beschouwt, louter bedacht om wat historisch vlees te geven aan het gebeente van de Koran, dat in de kern (de oudste soera’s) een christelijk gebedenboek zou geweest zijn.

Besluiten we met de ware toedracht van de 72 wezens die de djihaadstrijder in de hemel opwachten, zoals voorzegd in verzen 44:54 en 52:20: “En wij paren hen aan wit- en grootogige gezellinnen.” De islamtraditie is hierover eenduidig, namelijk dat het om bekoorlijke vrouwen gaat, maar de kiem zelf van die traditie zou toch weer op een vergissing kunnen berusten. Hier dan het nieuwe verhaal over de hoeri’s, de blanke druiven danwel blanke nimfen.

In het klassiek Arabisch geldt dat een zakelijk of onzijdig meervoud als een vrouwelijk enkelvoud behandeld wordt (onder Griekse invloed?), zodat een meervoudsvorm alleszins personen aanduidde, nooit zaken. In het Koran-Arabisch echter gold die regel nog niet. Latere Koran-commentatoren lazen soms Koran-Arabisch alsof het klassiek Arabisch was, wat verwarring kon veroorzaken tussen persoons- en zaakaanduidingen. Bovendien geldt in opsommingen of waar de context verwarring uitsluit (althans als de lezer dezelfde taalvariant volgt als de schrijver), dat een bijvoeglijk naamwoord soms gebruikt wordt zonder het bijbehorend zelfstandig naamwoord en zelf verzelfstandigd wordt, net als in het Nederlands “een Arabische volbloed” of “een Perzisch tapijt” wel eens tot “een Arabier” of “een Pers” afgekort wordt. Men moet dan uit de context afleiden of een Perzische man danwel een Perzisch tapijt bedoeld wordt, allebei immers “een Pers”. In het klassiek Arabisch krijgen we wel hulp van de genoemde regel dat bv. “witte” in het meervoud alleszins naar mensen verwijst, omdat witte dingen met een enkelvoudsvorm zouden uitgedrukt worden. In het Koran-Arabisch daarentegen kan die meervoudsvorm “witte” met verzwegen zelfstandig naamwoord evenzeer “witte (vrouwen)” beduiden als “witte (dingen)”, bijvoorbeeld “witte (druiven)”.

Maar waarom willen sommige moderne Koran-omduiders op de plaats van het niet-uitgedrukte vrouwelijke persoonswoord per se “druiven” lezen? Zoals de tekst er nu staat, sluit hij in ieder geval niet uit dat het wel degelijk over vrouwen gaat. Wel, dat volgt uit de context, zo geeft Jansen de argumentatie van de nieuwlichters weer: “de verzen die voorafgaan en volgen, hebben het over de spijs en drank van de bewoners van het paradijs”. (p.64) Eerlijk gezegd, ik ben niet overtuigd.

Om te beginnen is de context ruimer dan de “vruchten en vleesspijzen” die inderdaad genoemd worden, en vermeldt hij ook andere paradijselijke genoegens, ondermeer het gezellig nakaarten onder strijdmakkers en de pure vreugde van de ervaring dat Allah Zijn woord gestand gedaan heeft. Bovendien zegt Allah dat Hij de gesneuvelde djihaadstrijders ba-hoer zal “verenigen” (hoer, met verharde h zoals in Mohammed). Dat lijkt mij niet iets dat je met druiven doet. Bovendien worden de gezellinnen nog in andere paradijsverzen vermeld, waar de druivenlezing totaal niet opgaat, met name 2:25, 3:15, 4:57, 37:48, 38:52, 55:70-74, 56:22, 56:36-37, en 78:33, dat  “gezellinnen met geronde boezem” voorspiegelt. Of nog: voor de djihaadstrijders zijn er daar “kuise (gezellinnen) die hun blik neerslaan, die geen mens noch djinn vóór hen heeft bezoedeld”. (55:56)

Ze zijn dus niet alleen bekoorlijk, ze hebben zelfs hun maagdelijkheid al een paradijselijke eeuwigheid lang bewaard voor jou, koene moslimkrijger. Druiven zullen er ook wel zijn, “vruchten en vleesspijzen”, samen met alle andere geneugten, maar de hoofdprijs zijn wel degelijk de maagden met gazelle-ogen. Omgord dus je zwaard en trek ten strijde tegen afvalligen en huichelaars, kruisvaarders en joden, poly- en atheïsten. Er wacht je een beloning die waarlijk hemels mag heten.

 

Belang van de goddelijke oorsprong

Er zit toch een groot verschil in de christelijke benaderingswijze (we kunnen trouwens moeilijk spreken over 1 benaderingswijze) en de islamitische. De christenen zeggen niet dat het nieuwe testament als een geheel uit de hemel is neergedaald, maar dat de schrijvers ervan geïnspireerd werden door de H. Geest. In die zin is het mogelijk dat doorheen de inspiratie van de H. Geest de geloofstraditie,verruimd en vernieuwd wordt (al moet ze wel een logische samenhang vertonen met de voorgaande exegese). De ene nominatie tegenover de andere hangt een groter geloof aan de letterlijke waarheid van de wonderen en gebeurtenissen, maar er blijft toch een basis behouden (bijv de opstanding van Christus. Wie dit verwerpt hangt een soort gnostische visie aan).
De islam stelt haar reden van bestaan op het idee dat zij de volmaakte opvolger is van jodendom en christendom. En dat God een resem wetten heeft verordend bij monde van de profeet die Zijn goddelijke orde op aarde moet weergeven. Bij Mohammed bepaalt de geestelijkheid opnieuw de staatsmacht, al gebeurde dit misschien vaak en stoemelings in plaats van gepland.
Ik las dat in het jodendom het debat over de juiste bestuursvorm (tussen de geestelijke en wereldse macht) reeds bij de profeet Samuel aan bod kwam. Hij stelde tegen zijn zin een koning aan. Om maar te zeggen dat het debat reeds eeuwen oud was, er er al eeuwen een onderscheid begon te groeien tussen wet en moraal.
Ook in het evangelie wordt dit onderscheid tussen geestelijke en wereldse macht niet verworpen.
De profeet baseert zijn aanspraak op wereldse en geestelijke macht echter op de visie dat via de sharia Gods wetten worden toegepast, en dat een maatschappij wordt omgevormd naar Gods idee over hoe een maatschappij er moet uitzien. De moraal valt weer samen met de wet. Voor moslims is het dus cruciaal dat de letterlijke goddelijkheid van de koran niet ondergraven wordt, want dan vervalt de hele essentie van Mohammed’s boodschap. Immers, als de sharia niet echt gedicteerd werd door God, waarom er dan wel naar handelen? Dan vervalt toch de hele islamitische claim?
Zonder "Het geloof in de goddelijke oorsprong van dat boek” is dat verhaal inderdaad “onherroepelijk tot spoedige verdwijning gedoemd".
Het lijkt me daarom dat Luxenberg toch niet veel enthousiasme zal opwekken bij de islamitische geestelijken.

wie een put graaft ....

Het destructieve aan die Luxenbergh-these over het aramees substraat van de koran, die eigenlijk al min of meer een eeuw voor hem bestond, is dat het de definitieve ontmaskering van de islam betekent. De koran beschuldigt christenen en joden ervan vervalsers te zijn van Gods heilige boek. Een boek waarvan zijzelf de echte versie hebben in een zuiver en duidelijk ("mubîn") Arabisch. Thora en bijbel zijn eigenlijk slechte vertalingen van een Arabische oertekst.

Flauwekul natuurlijk maar nu is er bewijs dat de koran zelf voor grote stukken gewoonweg een SLECHTE VERTALING is van oorspronkelijk aramees-christelijke teksten ! De consequenties voor hun geloof zijn zo destructief dat ik me afvraag of de islam uberhaupt wel overlevingskansen heeft op lange termijn. Tenzij door geweld, intimidatie (jihad) en verdrukking (sharia) natuurlijk, zoals ze het al 14 eeuwen doen.

@Paganini

"De consequenties voor hun geloof zijn zo destructief dat ik me afvraag of de islam überhaupt wel overlevingskansen heeft op lange termijn."

Ik voel mee met de korangeleerden die op zekere dag tot het besef zullen komen dat ze hun leven vergooid hebben aan de studie van een verwarde compilatie van flarden ontleningen aan reeds bestaande godsdiensten plus eigen bedenksels van een halfgeletterde zakenman. Denk eens aan al die professoren marxisme-leninisme in het Oostblok wier expertise rond 1990 plots waardeloos werd. Luxenberg heeft alvast de verdienste dat hij de radicaal kritische koranstudie voorgoed op de agenda geplaatst heeft. Het geloof in de goddelijke oorsprong van dat boek is onherroepelijk tot spoedige verdwijning gedoemd.

@ Elst

"Het geloof in de goddelijke oorsprong van dat boek is onherroepelijk tot spoedige verdwijning gedoemd"

Dit is ook met de bijbel gebeurd, en wat blijkt? Het christelijk geloof (of tenminste de praxis) heeft dat proces overleeft.Er zijn massas kerken waar letterlijk geloof in goodelijkheid van verhalen, boeken of figuren geen basisvereiste meer is. Dat zal hopelijk met de islam evenzeer gebeuren. Hopelijk krijgt Luxenberg wat meer navolging, niet alleen van westerse islamologen of niet-moslimse geinteresseerden.

Mooi overzicht, maar jammer

dat dit artikel vooral oud nieuws herkauwt over de Luxenberg-publicatie, waar intussen al heel wat over geschreven is.
Overigens is Luxenberg als figuur even onduidelijk te plaatsen als de moslimse profeet zelf.
Fijn had ook geweest de kritische reacties van Leemhuis op Luxenberg in diens openingsrede te Groningen te mogen vernemen:
vind de tekst niet meteen terug, maar o.a. op
http://www.rug.nl/Corporate/nieuws/archief/archief2004/persberichten/095_00

Prof. dr. Fred Leemhuis stelde tijdens zijn oratie als hoogleraar Koranwetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen op 7 september 2004, dat Luxenbergs theorie onvoldoende onderbouwd is. Dat is een goede samenvatting van de reacties op Luxenbergs werk onder westerse islamologen.

Luxenbergs ideeën zijn gebaseerd op een aantal vooronderstellingen die niet per se onjuist, maar wel risicovol zijn. Arabisch en Syrisch zijn beide Semitische talen en veel woorden uit de beide talen zijn dan ook verwant. Zo beweert Luxenberg bijvoorbeeld dat het Arabische Qur’an, is afgeleid van het Syrische Qeryana, dat ‘lectionarium’ betekent. Zelfs als dat waar is, wil dat nog niet zeggen dat met het Syrische woord ook de volledige betekenis in het Arabisch is overgenomen. De alternatieve hypothese is minstens even waarschijnlijk, namelijk dat beide woorden ‘tekst om te reciteren/voor te lezen’ betekenen en beide zijn afgeleid van de, zowel in het Arabisch als in het Syrisch voorkomende, Semitische stam qr’, dat - onder andere - ‘(voor)lezen’ betekent.

Het Arabische defectieve schriftsysteem biedt alleen al zuiver statistisch gezien grote mogelijkheden om door herplaatsing van diakritische punten en klinkertekens woorden te veranderen in willekeurige andere woorden. De kans op succes wordt alleen maar groter als daarbij ook nog naar mogelijke Syrische alternatieven wordt gekeken. Soms zijn die veranderingen betekenisvol, maar dat wil nog niet zeggen dat ze ook zinvol zijn of een historische werkelijkheid weergeven. Een en ander betekent niet dat Luxenbergs vondsten terzijde kunnen worden geschoven, maar wel dat het onderzoekswerk, na het vinden van een betekenisvol alternatief, nog niet is afgerond. Er zijn meer – externe - aanwijzingen nodig om een bepaalde herlezing waarschijnlijk te maken.

Een herlezing die bijvoorbeeld een Korantekst dichter bij een toch al vermoede christelijke bron brengt kan zo’n aanwijzing zijn. Voor Luxenberg is het echter het enige externe bewijs dat hij gebruikt: al zijn herlezingen zijn consequent christelijk. Andere aanwijzingen negeert hij, of hij is er niet van op de hoogte.

Twee voorbeelden: Waar Luxenberg ببكه bibakka herleest tot تيكه taykeh, is nog een andere lezing mogelijk, die goed aansluit bij Luxenbergs methode: بمكه bimakka, ‘te Mekka’. Het is zeer goed mogelijk dat een slordig geschreven ﻤ wordt verward met een ﺒ, zeker als die laatste letter al bestond mét diakritische punt. Soera Het geslacht van Imraan 96 over ‘Bakka’ gaat dan, naar de betekenis ongewijzigd, nog steeds over Mekka, zonder een ingewikkelde omweg via een betekeniswijziging in het Syrisch.

Een aantal verhalen in de Koran komt zeer goed overeen met Bijbelse verhalen uit de Targum. Dit zijn vertalingen van de Thora in het Aramees, waarin vaak buitenbijbelse verhalen zijn verwerkt. Zo komt bijvoorbeeld het verhaal over koning Salomo en de koningin van Sheba in soera De Mieren veel beter overeen met de Targum Sheni Esther dan met het Bijbelse verhaal. Ook het Koranische woord voor hel, gehinnom is een Hebreeuws – en dus joods - leenwoord, geen christelijk Syrisch, dan zou de slot-m ontbreken. Dat wijst op joodse bronnen en een veel complexere ontstaansgeschiedenis dan een ‘christelijk lectionarium’.

Luxenberg lijkt van dit soort zaken niet op de hoogte te zijn. Hij opereert geheel op zichzelf. Soms levert dat verrassende resultaten. Zo komt hij geheel op eigen kracht tot de conclusie dat het letterteken waar nu in het Arabisch de ﺒ b, ﺘ t, ﺜ th, ﻨ n en ﻴ y mee wordt geschreven zonder diakritische punt in oude Koranhandschriften moet zijn gebruikt voor de lange ‘a’. Toen Luxenberg zijn boek schreef was het gebruik van dit teken voor de lange ‘a’ in oude Koranhandschriften in Sanaa, de hoofdstad van Jemen, al aangetoond. Niet alles wat Luxenberg beweert is dus onzin en zijn hypotheses kunnen niet zomaar terzijde geschoven worden. Sinds het verschijnen van zijn boek is onder islamologen en arabisten dan ook een toename van kritische belangstelling voor dit taalkundige onderwerp te zien. Het is vooral Luxenbergs christelijke agenda en zijn soms veel te ver doorgevoerde redeneringen die op afwijzende kritiek kunnen rekenen.

@Nataraja

Het was niet mijn bedoeling origineel te zijn, alleen beknopt weer te geven wat prof. Jansen in zijn boek mededeelt. Wat betreft de kritiek op Luxenberg ga ik helemaal akkoord, en het is evident dat Mohammed naast christelijke tal van joodse elementen overgenomen heeft, zoals de spijstaboes en de besnijdenis, en dus ook wat terminologie. Alleen het poneren van verwarring tussen mim en ba', Makka en Bakka, gaat me wat ver. Noteer in dat verband de christelijke kritiek dat de setting van de Koran in Mekka nergens door de tekst zelf ondersteund wordt, en dat "Bakka" en andere details ook naar een plaats net buiten Jeruzalem kunnen verwijzen. Zodat de plaatsing van het korangebeuren in Arabië ook weer een uitvindsel van achteraf zou zijn.

@ KE 2

Om mijn voorgaande commentaar wat duidelijker te situeren, het ging over de veroordeling van een lokale voetbalploeg in Dubai, aallemaal lokale "arabieren", die veroordeeld werden voor een homosexuele groepsverkrachting van een Pathaan, alhoewel als je pathanen kent???

Anyway, de veroordeling was duidelijk, maar de begronding en de verwijzing en interpretatie van de korantexten en hadieth texten was allesbehalve duidelijk voor de 4.

De zaak werd me doorgespeeld als anecdote door een homosexuele britse advokaat die in Dubai een praktijk had.

@ KE

Zoals gewoonlijk zeer degelijk.

Ik heb 2 kleine commentaren:

1) Ik kende een libanese maronitische priester die mordicus staande hield dat Mohammed tijdens zijn "meditaties" gewoon in het gezelschap van een afvallige christelijke priester/kluizenaar was die hem alles voorkauwde, vandaar zijn bijbelkennis die in de koran werd opgenomen. Zou daar een stuk waarheid kunnen in zitten?

2) Wat betreft de juiste interpretatie van het arabisch schrift heb ik in 1980 de proef op de som genomen met 3 advokaten en een rechter van een juridische sharia text(een veroordeling en de begronding) en ik kreeg 4 verschillende interpretaties.

Het was één Yemeni(de intelligentste), de rechter was sudanees, één egyptenaar en één libanees.