De Onafwendbare Neergang Van Extreemrechts

(Hier een herdruk van mijn boekbespreking in Nucleus van een boek uit 2004 welks voorspelling momenteel door de feiten bevestigd lijkt te worden, toch als we aannemen dat de succesvolle PVV van Geert Wilders een wezenlijk ander verschijnsel is dan de in crisis verkerende nationalistische partijen VB en Front National.)

Al sinds de jaren ’70, en vandaag meer dan ooit, spreekt links op grimmige toon over de toenemende dreiging van een herlevende Bruine Horde. Het is dan ook een verrassend nieuw geluid wanneer een deskundige verklaart dat hij extreemrechts ziet wegdeemsteren.

Professor Helmut Gaus is politoloog aan de Universiteit Gent. In zijn nieuwste boek Opkomst en Verval van Extreemrechts (86 pp., Academia Press, Gent 2004) stelt hij dat extreemrechts momenteel over zijn hoogtepunt heen is, omdat wel en wee van deze stroming vastgeklonken zijn aan een conjunctuurcyclus die, toch voor enkele decennia, zijn cyclisch maximum voorbij is.

De ontdekking en duiding van cycliciteit in de geschiedenis is een soort astrologie minus de sterren. De kerndoctrine van de astrologie blijft er wel in bewaard, namelijk de synchroniciteit tussen gebeurtenissen op uiteenlopende bestaansniveaus die schijnbaar geen oorzakelijk verband vertonen. In ons taalgebied is de bekendste woordvoerder van deze benadering wel de “metableticus” (veranderingsdeskundige) prof. Jan Hendrik van den Berg, die een merkwaardige gelijktijdigheid meent te ontwaren tussen ontwikkelingen op gebied van politiek, literatuur, bouwstijl, wetenschap en mode. Prof. Gaus gaat niet even ver de stratosfeer in, hij heeft zijn licht vooral opgestoken bij de dialectisch-materialistische Sovjet-econoom Nikolaï Kondratiëv, die in 1938 in Stalins grote zuiveringen omkwam. Als directeur van het Moskouse Instituut voor Toegepaste Economie deed Kondratiëv begin jaren ’20 de wereld kond dat de economische conjunctuur onderhevig is aan een cyclus van ongeveer 50 jaar.

Hoogtepunten van deze cyclus waren ondermeer ca. 1811, 1871, 1921 en 1971, dieptepunten ca. 1849, 1896, 1934 en 1996. Gaus voegt daaraan toe dat deze cyclus ook op gebied van mentaliteit en politieke mode voelbaar is: de positieve fasen zouden gekenmerkt worden door een zwenking naar links terwijl de rechterzijde terrein herwint in de negatieve fasen. Bovendien twijfelt hij aan het marxistische dogma dat de economische toestand de oorzaak (benedenbouw) en de ermee samengaande stemming in de samenleving het gevolg (bovenbouw) is. Men kan het immers omkeren: wanneer mensen het vertrouwen verliezen en angstig worden, leidt dit tot minder uitgeven, minder ondernemen en economische stagnatie. Met zijn klemtoon op de psychologische factor is Gaus dus geen orthodox marxist maar een freudo-marxist, zoals nog in nader detail zal blijken. In ieder geval, tot ca. 2024 zitten we in een opgaande fase, en dat betekent winst voor links en verlies voor rechts, a fortiori voor extreemrechts.

In het begin geeft Gaus de indruk, een mens van goede wil te zijn die nu eens niet de flutverklaringen voor “het verschijnsel extreemrechts” van zijn collega’s gaat herhalen. Hij verwerpt de snertgoedkope persoonlijke belastering van rechtse leiders als telkens weer “de nieuwe Hitler”. Hij stelt eerlijk vast dat het academisch onderzoek terzake methodologisch nergens staat en dat de daarop gebaseerde strategieën ter bestrijding van dit verschijnsel hopeloos geflopt zijn. Jammer genoeg mist hij eveneens doel. Zonder een zweem van twijfel of ironie baseert hij zijn bespiegelingen op pseudo-wetenschappers als dwaallicht Sigmund Freud, diens leerlinge Karen Horney, de als klinisch gek geëindigde psychofantast Wilhelm Reich en de sinistere neomarxist Theodor Adorno, peetvader van wat men in de jaren ’90 de political correctness ging noemen.

Autoritair

Centraal in dit boek staat Adorno’s theorie van de “autoritaire persoonlijkheid” (1950). Dit syndroom was zeer breed opgevat: behalve gehechtheid aan een autoritaire leider, ook elk patriottisme, elk respect voor ouders en traditie, elke voorkeur voor orde boven chaos, elke voorzichtigheid, elke behoudsgezindheid. De notie was bedoeld om alle iet of wat “rechtse” individuen als psychisch gestoord voor te stellen, een subtielere Westerse variant op het Sovjetbeleid van psychiatrische opsluiting voor dissidenten. Maar terwijl de brute Sovjetmethodes tot het verleden behoren, blijkt deze subtielere versie in 2004 nog steeds school te maken. Volgens Gaus is deze notie van de “autoritaire persoonlijkheid” onverminderd geldig als verklaring voor het verschijnsel extreemrechts, en is “angst” (en vandaar de hang naar veiligheid en zekerheid) de sleutel tot dit syndroom.

Hij vindt trouwens dezelfde kenmerken terug in het “conservatisme”, zoals zou blijken uit “wetenschappelijk onderzoek” via vragenlijsten en de “conservatismeschaal” (ja, de nepwetenschap heeft blijkbaar heel wat geïnvesteerd in de schepping van een schijn van wetenschappelijke ernst met bijbehorend jargon). Het verschil is slechts gradueel, namelijk dat de extreemrechtse figuur ook wetsovertreding en geweld niet schuwt om zijn wereld van storende en vreemde elementen te zuiveren. Gaus kent blijkbaar weinig van geschiedenis, want de geviseerde bewegingen tijdens het interbellum waren juist uitgesproken anticonservatief. Zij schaarden zich rond jonge leiders en verheerlijkten de jeugd, de technische vooruitgang en de toekomst. In economisch opzicht waren zij meestal socialistisch, in levensbeschouwelijk opzicht seculier. Hun compromissen met haarden van conservatisme zoals de Kerk en de oude elites waren louter strategisch; zij deden niets af aan de plannen om naar Sovjetvoorbeeld alle gezagscentra behalve de partij op termijn te marginaliseren.

Gaus neemt van de Canadese psycholoog Bob Altemeyer het begrip “Right-Wing Authoritarianism” (RWA, 1996) over. Hij verschilt met Altemeyer van mening over het historische karakter van het RWA: volgens de Canadees is dit altijd en in alle maatschappijen in ruwweg dezelfde mate aanwezig, terwijl Gaus het juist ziet fluctueren in functie van allerlei economische en andere variabelen. Ook hier weer zou “angst” de grondslag voor het syndroom vormen.

Onder Altemeyers “vaststellingen die hier van nut kunnen zijn”, verwelkomt Gaus deze: het vermoeden dat er ook een links autoritarisme zou bestaan, of dat de testen en vragenlijsten ook linkse proefpersonen bij de “autoritaire” categorie zouden kunnen klasseren, bleek ongegrond. Hij citeert letterlijk en met expliciete instemming: “But if you want a living, breathing, scientifically certifiable authoritarian on the left, I have found not a single one.” Ongelooflijk maar waar: “links” en “autoritair” zijn twee disjuncte verzamelingen, zij hebben geen enkel element gemeenschappelijk. Op zulke theorie, flagrant en op miljoenvoudige schaal door de feiten weerlegd, baseert de voorzitter van de Gentse Vakgroep Politieke Wetenschappen dus zijn “wetenschappelijk” werk.

Gaus, die meermalen andere auteurs kleineert omdat ze “geen geschiedenis kennen”, schijnt niet te weten dat de zeer autoritaire Sovjet-Unie vóór het nazisme en fascisme ontstaan is, en dat zij er zowel imitatief als reactief de bestaansvoorwaarde voor was. Ook van allerlei autoritaire figuren en verschijnselen in het Westerse en met name het Belgische socialisme heeft hij blijkbaar nooit gehoord. Evenmin beseft hij dat bepaalde door hem opgesomde gedragskenmerken van “extreemrechts” vandaag juist veel sterker bij links tot uiting komen, bv. onverdraagzaamheid -- tot en met geweld -- jegens andere opvattingen (zie bv. de muilkorfwetten of het wegkloppen van rechtse deelnemers aan anti-globaliseringsbetogingen). Ofwel? Ofwel heeft hij, in het spoor van Adorno en Altemeyer, “autoritair” zo gedefinieerd dat het eigenlijk synoniem is met “rechts”. En daar komt het inderdaad wel op neer, ja. In dat geval is de hele oefening een loutere kringredenering geweest, een wetenschapper onwaardig.

Democratie

De genoemde pseudo-wetenschappers van Freud tot Adorno hadden zelf het nazisme gekend, en het is daarnaar dat zij verwezen wanneer zij het over “extreemrechts” (of een gelijkwaardige term) hadden, niét over wat vandaag zo genoemd wordt. Desondanks veralgemeent Gaus hun beweringen moeiteloos naar het Vlaams Blok en consoorten. Dit is meteen de meest krasse hiaat in Gaus’ betoog: de afwezigheid van enige bewijsvoering dat er een identiteit of continuïteit bestaat tussen het “extreemrechts” van het interbellum en dat van vandaag. Om precies te zijn: het hele boek bevat geen enkel citaat of noemt geen enkel wapenfeit van de geviseerde hedendaagse partijen of bewegingen. Toch past het op hen een definitie van “extreemrechts” toe waarin een waarde centraal staat die in het interbellum zeer sterk stond maar die vandaag in de betrokken stroming helemaal niet aan de orde is: het “autoritarisme”.

In het interbellum werd in zeer brede kring getwijfeld aan de leefbaarheid en deugdelijkheid van de democratie. Zoals Gaus zelf opmerkt: ook koning Leopold III geloofde in het leidersprincipe en de populaire pers in België beeldde hem dienovereenkomstig bij voorkeur uit als opperbevelhebber in uniform. Volgens allerlei propaganda waren de dictaturen in Moskou en later Rome en Berlijn zeer succesvol, ondermeer in het terugdringen van de werkloosheid, terwijl de liberaal-democratische staten de economische crisis niet konden bedwingen. Na de nederlaag van de Asmogendheden in 1943-45 en de implosie van de Sovjet-Unie in 1989-91 zijn de rollen echter omgekeerd. Weinigen geloven nog in de superioriteit van het weinig adaptabele autocratische model, en “extreemrechts” is evenzeer aan die opinieverschuiving onderhevig.

Velen vervielen destijds in wat Johan Huizinga (aldus door Gaus aangehaald) “puerilisme” noemde: zich ondanks volwassen leeftijd in een knapenrol inleven, paraderend in het gelid en zich gretig onderwerpend aan de bevelen van de leider. Vandaag kan men zich nauwelijks voorstellen dat mensen zich massaal aan dit kinderachtig gedragspatroon overgaven. Ook de kaders en kiezers van de “extreemrechtse” partijen kunnen dat niet, en vertonen niet meer neiging tot onderwerping aan een sterke man dan die van andere partijen. “Daar komen ze aangemarcheerd”, zo beschrijven allerlei “antifascisten” de vooruitgang van hun vijanden, maar met die anachronistische voorstelling van zaken verraden ze alleen hun eigen nostalgie naar 1945.

Gaus’ collega’s, die in hun campagne tegen het Vlaams Blok in partijteksten heel wat “racistische” uitspraken bijeengesprokkeld hebben, zijn er nooit in geslaagd hetzelfde te doen met blijken van antidemocratische gezindheid. Het enige antidemocratische feit dat zij tot dusver gevonden hebben, is dat het VB geen democratische voorzittersverkiezingen kent. Maar zoals Gaus zelf toegeeft, vertrouwden zelfs de vrijheidslievende Romeinen in oorlogstijd op een dictator, die nadien weer gewoon burger werd. Welnu, ook het VB is in een soort staat van oorlog, en dat verklaart de voorlopige afkeer van de partij jegens de interne twisten die een voorzittersverkiezing zou kunnen veroorzaken. Pas als de partij ook in betere tijden weigert om haar voorzitterschap tot inzet van verkiezingen te maken, zal men kunnen besluiten dat zij de democratie verwerpt.

Feit is bovendien dat de andere partijen in ons land evenzeer een autoritair aangewezen leiderschap kennen. Bij de christendemocraten en socialisten mogen de leden één door de topgroep aangeduide leider in een nepverkiezing “bevestigen”, bij de liberalen is zopas gebleken dat de door de leden verkozen voorzitter op elk moment door de topgroep uitgeschakeld kan worden, zodat de “ledendemocratie” er slechts een schijnvertoning is. Binnen zijn partij oefent VB-voorzitter Frank Vanhecke niet meer macht uit dan Robert Stevaert in de SP.A en Elio di Rupo in de PS. De socialistische partijen in ons land zijn trouwens altijd gekenmerkt geweest door autoritair leiderschap en kadaverdiscipline. Daarmee mag dan geantwoord zijn op Gaus’ bezorgdheid over hoe socialisten zich moeten voelen die naar het VB overgestapt zijn: mocht het VB zo autoritair zijn als Gaus beweert, dan zal een SP-veteraan zich er meteen thuis voelen.

In landen waar de burgers veel mondiger zijn dan de Vlamingen, zoals Denemarken of Australië, is nog veel duidelijker dat de “extreemrechtse” partijen van vandaag helemaal niet naar een vermindering van de democratie streven. Dat in die twee landen het partijleiderschap bij een vrouw berust, relativeert tussen haakjes ook Gaus’ stelling dat antifeminisme een wezenskenmerk van “extreemrechts” is. Anders dan in het karikaturale linkse vijandbeeld is de werkelijke rechterzijde met haar tijd meegegaan en heeft zij de thema’s van het interbellum ver achter zich gelaten.

Vreemdelingen

Welk thema verklaart dan wel het recente succes van de bedoelde partijen? Het komt in dit boek nauwelijks aan bod, maar iedereen weet dat dit het thema van de Ueberfremdung door niet-Europese immigranten is. Gaus gaat dat verschijnsel te lijf met het aloude en niet-toepasselijke cliché van de “zondebok”: door hun angst zoeken de mensen een zondebok voor de economische crisis en andere factoren van onzekerheid. Zijn voorkeur voor de “angst” als verklaringsgrond brengt hem er wel toe, te erkennen dat de vermaledijde “xenofobie” primair geen “vreemdelingenhaat” is, maar “vreemdelingenangst”. En daarmee werpt hij dan eindelijk eens een knipoog naar de hedendaagse maatschappelijke werkelijkheid, anders zo volstrekt afwezig in dit boek. Inderdaad, professor, vele mensen zijn bang voor de massale toevloed van vreemdelingen, vaak na nare persoonlijke ervaringen.

Zodra de werkelijkheid achter het succes van “extreemrechts” erkend wordt, stuit het cyclische verklaringsmodel van Gaus echter op de grenzen van zijn relevantie. Immers, tijdens de vorige cycli stelde datzelfde probleem zich nog nauwelijks. De nazi’s ergerden zich aan de Afrikaanse soldaten die Frankrijk in het Rijnland gelegerd had, maar dat was kwantitatief en structureel volstrekt marginaal en onbelangrijk in vergelijking met de massale vestiging van vreemdelingen in het Europa van vandaag. In die tijd maakten sommigen zich al zorgen over de Europese (vooral de Franse) demografische ontwikkeling, maar de situatie was gewoon onvergelijkbaar met de demografische neergang die we nu beleven. Ook in allerlei materiële, technologische en culturele opzichten is de situatie zodanig grondig gewijzigd, dat de ervaringen van 50 of 100 jaar geleden zich de komende tijd wel niet zullen herhalen.

Een goede theorie doet voorspellingen. We moeten professor Gaus nageven dat hij zich niet aan deze objectieve test onttrekt, integendeel. Hij doet een duidelijke en in haar tegendraadsheid zelfs zeer opvallende voorspelling: de extreemrechtse partijen hebben hun beste tijd gehad in de jaren ’90 en kunnen de komende twintig jaar alleen maar achteruit gaan. Dat ligt volgens Gaus niet aan de linkse bestrijdingsstrategieën, wel aan de onvermijdelijke afname van de angstgevoelens die de voedingsbodem van extreemrechts vormen.

Ik stel daar een andere voorspelling tegenover: het thema dat kiezers en nieuwe leden naar deze partijen toe drijft, neemt in omvang slechts toe, en daarom zal de toestroom naar deze partijen, uitgedrukt als percentage van de inheemse bevolking, de komende tien of twintig jaar eveneens verder toenemen. Wie angst als de verklaring ziet, kan het zo herformuleren: de maatschappelijke ontwikkeling (met naast Ueberfremdung ook vergrijzing en delocalisatie) leidt tot een versterking van de angst, en dus van de genoemde partijen. Het enige alternatief daarvoor is dat essentiële delen van hun programma door de gevestigde partijen overgenomen worden. In dat geval is deze voorspelling wel formeel weerlegd, maar in diepere zin juist bevestigd.

Obama en Adorno

Dank je Koenraad. Nu weten we waar Obama zijn mosterd haalt wanneer hij stelt dat er een psychologische reden is waarom kiezers niet voor hem en zijn Democraten stemmen. Obama is overtuigd dat angst de Amerikanen blokkeert om 'feiten' en de 'wetenschap', zoals opgelepeld door links, te aanvaarden. Twaalf jaar indoctrinatie in de staatsscholen en universiteiten is niet voldoende om de meerderheid van de Amerikanen 'correct' te doen denken.